Rensky.nl       1 Mijn ziel, herdenk met heilig beven, Hoe God, met majesteit bekleed, Zijn wet op Horeb heeft gegeven, Waar Hij deez' woorden horen deed 2 "Ik ben de Heer', uw God en Koning, Die van Egypte u bevrij', U leidend uit uw slaafse woning; Dient dan geen goden nevens Mij!" 3 "Voor beeldendienst zult gij u wachten; Ik ben de Heer', een ijv'rig God; 'k Straf dien in drie en vier geslachten Maar schenk Mijn dienaars 't zaligst lot!" 4 "Misbruikt geenszins den Naam des Heeren; Zweert nimmer enen valsen eed; Want hun, die Zijnen Naam onteren, Is Zijn getergde wraak gereed." 5 "Gedenkt en viert, met vee en magen, Den Sabbath, na zesdaagse vlijt God schiep 't heelal in zoveel dagen, En heeft den Sabbath Zich gewijd." 6 "Gij zult uw ouders need'rig eren, Opdat uw God, die eeuwig leeft, Uw dagen gunstig moog' vermeren, In 't land, dat Zijne hand u geeft!" 7 "Gij zult niet doodslaan, noch u wreken! Breekt nooit den echt; steelt niemands goed! Gij zult geen vals getuig'nis spreken, Bemint elk met een vroom gemoed!" 8 "Uw hart zal nimmer iets begeren, Van alles, wat uws naasten is. Uw ziel zal, als uw mond, God eren, En houden Zijn getuigenis!" 9 Och, of wij Uw geboon volbrachten! Gena, o hoogste Majesteit! Gun door 't geloof in Christus krachten; Om die te doen uit dankbaarheid. Exodus 20:1-17 & Deuteronomium 5:6-21 1 Toen sprak God al deze woorden, zeggende: 2 Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland,  uit het diensthuis, uitgeleid heb. 3 Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. 4 Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van wat boven in de hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is. 5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een naijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde geslacht van hen, die Mij haten; 6 En doe barmhartigheid aan duizenden van hen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. 7 Gij zult de Naam van de HEERE uw God niet ijdel gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdel gebruikt. 8 Gedenkt de sabbatdag, dat gij die heiligt. 9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; 10 Maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; 11 Want  in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die. 12 Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft. 13 Gij zult niet doodslaan. 14 Gij zult niet echtbreken. 15 Gij zult niet stelen. 16 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. 17 Gij zult niet begeren het huis van uw naaste; gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste; noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat van uw naaste is.