Rensky.nl       1 Mijn ziel verheft Gods eer; Mijn geest mag blij den Heer', Mijn Zaligmaker noemen, Die, in haar lagen staat, Zijn dienstmaagd niet versmaadt, Maar van Zijn gunst doet roemen. 2 Want ziet, om 's Heeren daan, Zal elk geslacht voortaan Alom mij zalig spreken; Wijl God, na ramp en leed, Mij grote dingen deed Nu is Zijn macht gebleken. 3 Hoe heilig is Zijn Naam! Laat volk bij volk te zaam Barmhartigheid verwachten; Nu Hij de zaligheid, Voor die Hem vreest, bereidt, Door al de nageslachten. 4 Des Heeren arm is sterk; Hij deed een krachtig werk; Die hoog zijn van gevoelen, Heeft Hij verstrooid, verward, Met alles, wat het hart, Dier trotsen mocht bedoelen. 5 Die stout zijn op hun macht, Heeft Hij, versmaad, veracht, Gestoten van de tronen; Maar Hij verhoogt en hoedt Het nederig gemoed, Waarin Zijn Geest wil wonen. 6 Hij heeft, na lang geduld, Met goederen vervuld Der hongerigen monden. Hij zag geen rijken aan, Maar heeft z', in hunnen waan, Gans ledig weggezonden. 7 Zijn goedheid klom ten top Hij nam Zijn Isrel op, Naar 't heil, Zijn knecht beschoren; Gelijk Hij, ons ten troost, Aan Abram en zijn kroost Voor eeuwig had gezworen. Lukas 1:46-55 46 En Maria zei: Mijn ziel maakt de Heere groot, 47 en mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker, 48 omdat Hij heeft omgezien naar de nederige staat van Zijn dienares. Want zie, van nu aan zullen alle geslachten mij zalig spreken, 49 want Hij Die machtig is, heeft grote dingen aan mij gedaan en heilig is Zijn Naam. 50   En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over hen die Hem vrezen. 51   Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm.  Hij heeft hen die hoogmoedig zijn in de gedachten van hun hart, uiteengedreven. 52 Hij heeft machtigen van de troon gestoten en  nederigen heeft Hij verhoogd. 53   Hongerigen heeft Hij met goede gaven verzadigd en rijken heeft Hij met lege handen weggezonden. 54   Hij heeft het opgenomen voor Israël, Zijn knecht, door aan Zijn barmhartigheid te denken, 55 zoals Hij gesproken heeft  tot onze vaderen, tot Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.