Rensky.nl       1 Lof zij den God van Israel, Den Heer', die aan Zijn erfvolk dacht, En, door Zijn liefderijk bestel, Verlossing heeft teweeg gebracht; Een hoorn des heils heeft opgerecht; 't Geen Davids huis was toegezegd, Dat wil Hij ons nu schenken; Gelijk Gods trouw, van 's aardrijks ochtendstond, Door der profeten wijzen mond, Zich hiertoe aan de vaderen verbond. 2 God had hun, tot hun troost, gemeld, Hoe Zijn gena ons redden zou Van onzer haat'ren wreed geweld; Nu blijkt Zijn onverwrikb're trouw; Nu toont Hij Zijn barmhartigheid, Van ouds den vaad'ren toegezeid, En dat Hij wil gedenken Aan 't heilverbond, aan dien gestaafden eed, Dien Hij weleer aan Abram deed, Aan Zijn verbond, dat van geen wank'len weet. 3 Hij speld' ons, dat wij t' allen tijd, Wanneer die blijde heildag rees, Van 's vijands dienstbaar juk bevrijd, Hem dienen zouden zonder vrees, Naar 't heilig recht, in ware deugd. O dierbaar Kind, o stof van vreugd, Geschenk van 't Alvermogen, Elk noem' U Gods profeet en geev' U eer; Gij treedt voor 't aanschijn van den Heer', En baant Zijn weg door leven en door leer. 4 Dus wordt des Heeren volk geleid, Door 't licht, dat nu ontstoken is, Tot kennis van de zaligheid, In hunne schuldvergiffenis; Die nooit in schoner glans verscheen, Dan nu, door Gods barmhartigheen, Die, met ons lot bewogen, Om ons van zond' en ongeval t' ontslaan, Een ster in Jakob op doet gaan, De zon des heils doet aan de kimmen staan. 5 Voor elk, die in het duister dwaalt, Verstrekt deez' zon een helder licht. Dat hem in schauw des doods bestraalt, Op 't vredepad zijn voeten richt. Lukas 1:68-79 68 Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht. 69 En Hij heeft een hoorn van zaligheid voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht, 70 zoals Hij gesproken had bij monde van Zijn heilige profeten, die er door de eeuwen heen geweest zijn, 71 namelijk verlossing van onze vijanden en bevrijding uit de hand van allen die ons haten, 72 om barmhartigheid te bewijzen aan onze vaderen en te denken aan Zijn heilig verbond, 73 de eed die Hij aan Abraham, onze vader, gezworen heeft om ons te geven, 74 dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees, 75 in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle dagen van ons leven. 76 En jij, kind, zult een profeet van de Allerhoogste genoemd worden, want je zult voor het aangezicht van de Heere uitgaan om Zijn wegen gereed te maken, 77 en om Zijn volk kennis van de zaligheid te geven in de vergeving van hun zonden 78 door de innige gevoelens van barmhartigheid van onze God, waarmee de  Opgang uit de hoogte naar ons omgezien heeft, 79 om te verschijnen aan hen die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood, en om onze voeten te richten op de weg van de vrede.