Vers 1
Hoor, o HEER, verhoor mijn smeken,
Laat m' Uw bijstand niet ontbreken;
Ai, veracht mijn tranen niet,
Daar Gij al mijn angsten ziet;
Als ik, in benauwde dagen,
U, mijn God, mijn leed moet klagen,
Wil dan spoedig U ontfermen,
Wil mij door Uw macht beschermen.
Vers 2
Want mijn leeftijd is door wenen,
Als een ijd'le rook, verdwenen;
Mijn gebeent', in droeven stand,
Als een haardsteê uitgebrand.
Mijne ziel, door rouw bezweken,
Kwijnt, als 't gras in dorre streken;
'k Heb in mijn ellend' vergeten
Mijn gewone spijzen t' eten.
Vers 3
'k Voel de krachten mij begeven,
't Vlees aan mijn gebeente kleven,
Wegens mijn benauwde klacht,
Die ik uitstort dag en nacht.
Ik gelijk, in 't eenzaam kwijnen,
Aan den roerdomp der woestijnen,
Aan den steenuil in de wouden,
Waar geen mensen zich onthouden.
Vers 4
'k Slijt den nacht in eenzaam waken,
Als een mus op stille daken;
Daar mijn wreev'le vijand raast
En door hoon mijn ziel verbaast.
Zij, die mijn bederf betrachten,
Mij den gansen dag verachten,
Mij in 't openbaar onteren,
Durven roek'loos bij mij zweren.
Vers 5
D' as verstrekt mijn kwijnend harte
Thans tot brood in zoveel smarte,
Daar ik mijnen drank vermeng
Met de tranen, die ik pleng.
HEER, Uw gunst had mij verheven;
Maar nu mij Uw toorn doet beven,
Zie ik mij van glans ontbloten,
Mij in 't stof terneer gestoten.
Vers 6
'k Zie in rouw en ongenuchten,
Al mijn dagen mij ontvluchten,
Als een schaduw, die verdwijnt;
Ik verdor, als 't gras, dat kwijnt.
Maar Gij, HEER, zult eeuwig blijven;
Eeuwig zal Uw roem beklijven;
En Uw naam blijft in gedachten
Tot de laatste nageslachten.
Vers 7
Gij zult opstaan, ons beschermen,
Over Sion U ontfermen,
Want de tijd, Uw stad voorspeld,
Aan haar leed ten perk gesteld,
Die zo lang gewenste dagen
Van Uw gunstrijk welbehagen,
Zijn, o God, in 't eind geboren;
Gij, Gij zult haar klacht verhoren.
Vers 8
Reeds verlangen Uwe knechten
Hare stenen op te rechten;
Elk heeft deernis met haar gruis;
Elk toont ijver voor Gods huis.
Albestierend Opperwezen,
Dan zal 't heidendom U vrezen;
Al de vorsten, neergebogen
Doen dan huld' aan Uw vermogen.
Vers 9
Als voor 't oog der nageburen,
Gods ontferming Sions muren
Weer zal hebben opgebouwd,
En 't Zijn heerlijkheid aanschouwt;
Als Zijn goedheid op de klachten
Des verdrukten en verachten
Letten zal, en 't onheil weren;
Dan zal elk Hem juichend eren.
Vers 10
Dan, dan wordt Gods trouw verheven,
En Zijn dierb're gunst beschreven
Voor het dankbaar nageslacht,
Dat met lust Zijn wet betracht.
't Volk, in later eeuw geboren,
Zal Zijn macht en goedheid horen;
Zich in Zijnen roem verblijden;
Hem Zijn lofgezangen wijden.
Vers 11
't Zal met blij gejuich Hem loven,
Die, uit Zijn paleis van boven,
Isrels leed en ongeval
Eens in gunst beschouwen zal;
En gevang'nen in hun zuchten
Horen, als zij tot Hem vluchten;
Om hen uit de wrede kaken
Van den dood eens los te maken.
Vers 12
Dus zij 's HEEREN naam geprezen,
En in Sion eer bewezen;
Dus hoor' elk de vreugdestem
In het blij Jeruzalem;
Als de volken saâm vergâren,
Zich met 's HEEREN erfvolk paren;
Als de koningen zich buigen,
En Hem hun ontzag betuigen.
Vers 13
Ach, de HEER heeft mij doen bukken
Voor 't gewicht der ongelukken,
Ja, mijn levenstijd verkort,
Mij met rampen overstort.
'k Riep: "O God, mijn welbehagen,
Spaar m' in 't midden van mijn dagen;
Gij, door eeuw noch tijd te krenken,
Kunt mij hulp en uitkomst schenken."
Vers 14
't Aardrijk en de hemelbogen
Zijn gewrocht door Uw vermogen;
Alle zijn z' in hun verband,
't Kunststuk van Uw wijze hand.
Doch, hoe duurzaam zij ook schijnen,
Eens zal al hun glans verdwijnen;
Maar, schoon 't alles om zal keren,
Gij blijft staand', o HEER der heren.
Vers 15
Als een kleed zal 't al verouden;
Niets kan hier zijn stand behouden;
Wat uit stof is, neemt een end
Door den tijd, die alles schendt.
Maar Gij hebt, o Opperwezen,
Nooit verandering te vrezen;
Gij, die d' eeuwen acht als uren,
Zult all' eeuwigheid verduren.
Vers 16
Uwer knechten trouwe zonen
Zullen altoos bij U wonen;
Ja, bevestigd in hun staat,
Voor Uw aanschijn, met hun zaad,
Uwen naam ter ere leven;
Zij, van smart en smaad ontheven,
Blijven aan Uw dienst geheiligd,
Daar Uw goedheid hen beveiligt.
1 Een gebed des verdrukten, als hij
overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het
aangezicht des HEEREN. O HEERE! hoor
mijn gebed, en laat mijn geroep tot U
komen.
2 Verberg Uw aangezicht niet voor mij,
neig Uw oor tot mij ten dage mijner
benauwdheid; ten dage als ik roep,
verhoor mij haastelijk.
3 Want mijn dagen zijn vergaan als rook,
en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een
haard.
4 Mijn hart is geslagen en verdord als
gras, [zodat] ik vergeten heb mijn brood te
eten.
5 Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees,
vanwege de stem mijns zuchtens.
6 Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk
geworden, ik ben geworden als een
steenuil der wildernissen.
7 Ik waak, en ben geworden als een
eenzame mus op het dak.
8 Mijn vijanden smaden mij al den dag; die
[tegen] mij razen, zweren bij mij.
9 Want ik eet as als brood, en vermeng
mijn drank met tranen.
10 Vanwege Uw verstoordheid en Uw
groten toorn; want Gij hebt mij verheven,
en mij [weder] nedergeworpen.
11 Mijn dagen zijn als een afgaande
schaduw, en ik verdor als gras.
12 Maar Gij, HEERE! blijft in eeuwigheid,
en Uw gedachtenis van geslacht tot
geslacht.
13 Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen
over Sion, want de tijd om haar genadig te
zijn, want de bestemde tijd is gekomen.
14 Want Uw knechten hebben een
welgevallen aan haar stenen, en hebben
medelijden met haar gruis.
15 Dan zullen de heidenen den Naam des
HEEREN vrezen, en alle koningen der
aarde Uw heerlijkheid.
16 Als de HEERE Sion zal opgebouwd
hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen
zijn,
17 Zich gewend zal hebben tot het gebed
desgenen, die gans ontbloot is, en niet
versmaad hebben hunlieder gebed;
18 Dat zal geschreven worden voor het
navolgende geslacht; en het volk, dat
geschapen zal worden, zal den HEERE
loven;
19 Omdat Hij uit de hoogte Zijns
heiligdoms zal hebben nederwaarts
gezien; dat de HEERE uit den hemel op
de aarde geschouwd zal hebben;
20 Om het zuchten der gevangenen te
horen, om los te maken de kinderen des
doods;
21 Opdat men den Naam des HEEREN
vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem;
22 Wanneer de volken samen zullen
vergaderd worden, ook de koninkrijken,
om den HEERE te dienen.
23 Hij heeft mijn kracht op den weg ter
neder gedrukt; mijn dagen heeft Hij
verkort.
24 Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg
in het midden mijner dagen; Uw jaren zijn
van geslacht tot geslacht.
25 Gij hebt voormaals de aarde gegrond,
en de hemelen zijn het werk Uwer handen;
26 Die zullen vergaan, maar Gij zult
staande blijven; en zij alle zullen als een
kleed verouden; Gij zult ze veranderen als
een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.
27 Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren
zullen niet geeindigd worden.
28 De kinderen Uwer knechten zullen
wonen, en hun zaad zal voor Uw
aangezicht bevestigd worden.