Vers 1 Toen Israël 't Egyptisch rijksgebied, En 't volk zo vreemd van aard en taal, verliet, Werd Juda God ter woning; Hij wijdde zich dit volk ten heiligdom En stichtte daar den troon, dien Hij beklom Als Isrels God en Koning.  Vers 2 Dit zag de zee met bevend' ogen aan, En vlood terug; de bruisende Jordaan Werd achterwaarts gedreven; Het hoog en laag gebergt' sprong op in 't rond, Als 't wollig vee, dat dartelt op den grond, En deed de velden beven.  Vers 3 Wat was 't, o zee, dat u zo vluchten deed? En gij, Jordaan, wat angst, wat prangend leed, Kon u teruggedringen? Gij bergen, en gij heuvels, wat gerucht Deed u met schrik dus steig'ren naar de lucht, Als lammeren, die springen?  Vers 4 Beef, aarde, beef voor 's HEEREN aangezicht, Voor Jacobs God, die uit het eeuwig licht Zijn Isrel hulp wou zenden; Hij is 't, wiens macht de rots verand'ren kon In enen vloed, den keisteen in een bron, Voor Isrels matte benden.   Toen Israel uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had; 2 Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israel Zijn volkomene heerschappij. 3 De zee zag het, en vlood; de Jordaan keerde achterwaarts. 4 De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren. 5 Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet? 6 Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren? 7 Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs; 8 Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.