Vers 1 Hij zal noch wank'len, noch bezwijken, Die op den HEER vertrouwt, En op Zijn goedheid bouwt; Hij zal, als Sions berg, nooit wijken, Wiens grondslag door geen aards vermogen Ooit wordt bewogen.  Vers 2 Gelijk 't gebergt', dat, hoog gerezen, Om Salem ligt gespreid, Zo is, in eeuwigheid, De HEER rondom hen, die Hem vrezen; Rondom Zijn volk, 't welk Hij wil hoeden Voor tegenspoeden.  Vers 3 Want hoe de bozen zich doen schromen Door wrede heerschappij, Nog zal hun dwing'landij Niet rusten op het lot der vromen, Opdat zij nooit, van 't recht geweken, Zichzelven wreken.  Vers 4 Geef, HEER, den goeden Uwen zegen; Doe wèl aan 't vroom gemoed; Maar hem, die onrecht doet, En die zich neigt tot kromme wegen, Zal God verdoen; doch Isrel leven En vrede geven. 1 Een lied Hammaaloth. Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, [die] niet wankelt, [maar] blijft in eeuwigheid. 2 Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid. 3 Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht. 4 HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten. 5 Maar die zich neigen [tot] hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!