Vers 1 Wanneer de HEER, uit 's vijands macht, 't Gevangen Sion wederbracht, En dat verlost' uit nood en pijn, Scheen 't ons een blijde droom te zijn. Wij lachten, juichten; onze tongen Verhieven 's HEEREN naam, en zongen. Toen hieven zelfs de heid'nen aan: "De HEER heeft hun wat groots gedaan."  Vers 2 God heeft bij ons wat groots verricht; Hij zelf heeft onzen druk verlicht; Hij heeft door wond'ren ons bevrijd; Dies juichen wij, en zijn verblijd. Breng, HEER, al Uw gevang'nen weder; Zie verder op Uw erfvolk neder; Verkwik het, als de watervloed, Die 't zuiderland herleven doet.  Vers 3 Die hier bedrukt met tranen zaait, Zal juichen, als hij vruchten maait; Die 't zaad draagt, dat men zaaien zal, Gaat wenend voort, en zaait het al; Maar hij zal, zonder ramp te schromen, Eerlang met blijdschap wederkomen, En met gejuich, ter goeder uur Zijn schoven dragen in de schuur. 1 Een lied Hammaaloth. Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen. 2 Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan. 3 De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; [dies] zijn wij verblijd. 4 O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden. 5 Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. 6 Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; [maar] voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.