Rensky.nl
Vers 1
Hoe lang, o HEER, mijn toeverlaat,
Vergeet Gij mijnen jammer-staat?
Hoe lang zult Gij, in mijn ellenden,
Van mij Uw vriend'lijk aanschijn wen - den?
Daar al mijn moed en kracht vergaat?
Vers 2
Hoe lang zal ik, door tegenheên,
In 't hart vergeefs ontwerpen smeên;
En vrucht'loos schreien ganse dagen?
Hoe lang zal mij mijn vijand pla - gen,
En mij verachtelijk vertreên?
Vers 3
Aanschouw mijn ramp, verhoor mij, HEER;
Ai, zie op al mijn lijden neer;
Verlicht, mijn God, verlicht mijn ogen,
En laat Uw goedheid niet gedo - gen,
Dat mij de slaap des doods verteer'.
Vers 4
Opdat de vijand, die mij haat,
Niet juich' in mijn bedrukten staat,
Mij nooit van God verlaten noeme,
Noch in mijn wank'len zich beroe - me,
Dat mij hun overmacht verslaat.
Vers 5
Maar, in dit smartelijk verdriet,
Mistrouwt mijn hart Uw goedheid niet;
Neen, 't zal zich in Uw heil verblijden.
Ik zal den HEER mijn lofzang wij - den,
Die mij genadig bijstand biedt.
1 Een psalm van David, voor den
opperzangmeester. Hoe lang, HEERE, zult Gij
mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw
aangezicht voor mij verbergen?
2 Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn
ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal
mijn vijand over mij verhoogd zijn?
3 Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God;
verlicht mijn ogen, opdat ik [in] den dood niet
ontslape;
4 Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem
overmocht; mijn tegenpartijders zich
verheugen, wanneer ik zou wankelen.
5 Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid;
mijn hart zal zich verheugen in Uw heil;
6 ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij
welgedaan heeft.