Vers 1 Mijn hart verheft zich niet, o HEER! Mijn ogen zijn niet hoog; 'k verkeer, Ik wandel niet in 't geen te groot, Te vreemd is voor Uw gunstgenoot.  Vers 2 Heb ik mijn ziel niet stil gezet, En mij verloochend naar Uw wet, Gelijk het pas gespeende kind Zich stil bij zijne moeder vind?  Vers 3 Mijn ziel, die naar den vrede haakt, En 't morrend ongenoegen wraakt, Is in mij als een kind gespeend, En heeft zich met Uw wil vereend.  Vers 4 Dat Isrel op den HEER vertrouw'; Zijn hoop op Gods ontferming bouw', En stil berust' in Zijn beleid, Van nu tot in all' eeuwigheid. 1 Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in [dingen] mij te groot en te wonderlijk. 2 Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij. 3 Israel hope op den HEERE van nu aan tot in der eeuwigheid.