Vers 1 Ai ziet, hoe goed, hoe lief'lijk is 't, dat zonen Van 't zelfde huis, als broeders, samen wonen, Daar 't liefdevuur niet wordt verdoofd; 't Is als de zalf op 's Hogepriesters hoofd, De zalf, waarmee hij is aan God gewijd, Die door haar reuk het hart verblijdt.  Vers 2 Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen, Als d' olie, die, van Arons hoofd gedropen, Zijn baard en klederzoom doortrekt; Z' is als de dauw, die Hermons kruin bedekt, Die Sions top met vruchtbaar vocht besproeit, En op zijn bergen nedervloeit.  Vers 3 Waar liefde woont, gebiedt de HEER den zegen: Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen, En 't leven tot in eeuwigheid.  1 Een lied Hammaaloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen! 2 Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aaron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen. 3 Het is gelijk de dauw van Hermon, [en] die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen [en] het leven tot in der eeuwigheid.