Vers 1 Looft, looft nu aller heren HEER, Gij zijne knechten, geeft Hem eer; Gij, die des nachts Zijn huis bewaakt, En voor Zijn dienst in ijver blaakt.  Vers 2 Heft uwe handen naar omhoog, Slaat naar het Heiligdom uw oog, En knielt eerbiedig voor Hem neer; Looft, looft nu aller heren HEER.  Vers 3 Dat 's HEEREN zegen op u daal'; Zijn gunst uit Sion u bestraal'; Hij schiep 't heelal, Zijn naam ter eer; Looft, looft dan aller heren HEER. 1 Een lied Hammaaloth. Ziet, looft den HEERE, alle gij knechten des HEEREN! gij, die allen nacht in het huis des HEEREN staat. 2 Heft uw handen op [naar] het heiligdom, en looft den HEERE. 3 De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.