Vers 1 'k Riep tot den HEER' met luider stem; Ik smeekt' en riep vol angst tot Hem; 'k Heb, voor Zijn aangezicht, mijn klacht In mijn benauwdheid voortgebracht.  Vers 2 Als mij geen hulp of uitkomst bleek, Wanneer mijn geest in mij bezweek, En overstelpt was door ellend', Hebt Gij, o HEER', mijn pad gekend.  Vers 3 Zij hebben vol arglistigheid Een strik op mijnen weg gespreid. 'k Zag uit, in nood, ter rechterhand, Maar vond noch vriend, noch onderstand.  Vers 4 'k Wou vluchten, maar kon nergens heen, Zodat mijn dood voorhanden scheen, En alle hoop mij gans ontviel, Daar niemand zorgde voor mijn ziel.  Vers 5 Ik riep tot U, ik zeid': o HEER', Gij zijt mijn toevlucht, sterkt' en eer; Gij zijt, zolang ik leef, mijn deel, Mijn God, Wien ik mij aanbeveel.  Vers 6 Hoor mijn geschrei; 'k ben uitgeteerd, Door mijn vervolgers overheerd; Ai, help en red mij uit den nood, Want hunne macht is mij te groot.  Vers 7 Voer mij uit mijn gevangenis, Tot roem Uws naams, die heerlijk is; Dat mij 't rechtvaardig volk omring', En vrolijk van Uw weldaân zing'. 1 Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was. Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem. 2 Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid. 3 Als mijn geest in mij overstelpt was,zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou. 4 Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel. 5 Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden. 6 Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik. 7 Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben.