Rensky.nl       Vers 1 Wie zal verkeren, grote God, In Uwe tent? Wien zult Gij kronen Met zulk een onwaardeerbaar lot, Dat hij, bij 't heuglijkst gunstgenot Uw heilig Sion moog' bewonen  Vers 2 Die in zijn wandel zich oprecht En wars betoont van valse streken; Zijn aandacht aan Uw wetten hecht; Zich op de deugd met ijver legt, En waarheid met zijn hart blijft spreken.  Vers 3 Die met zijn tong niet achterklapt; Geen kwaad doet aan zijn metgezellen; Niet in het spoor van laster stapt; Maar, zo men iemands eer vertrapt, Dien smaad wil horen noch vertellen.  Vers 4 Wiens oog verworpenen veracht, Maar hen eerbiedigt, die God vrezen; Die zich voor roek'loos zweren wacht, Doch 't geen hij zweert, getrouw betracht, Al zou 't hem ook tot schade wezen.  Vers 5 Die nooit zijn geld op woeker geeft; Die, d' onschuld en het recht genegen; Het oog op geen geschenken heeft. Wie dus oprecht en deugdzaam leeft, Zal nimmer wank'len op zijn wegen.     1 Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid? 2 Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt; 3 Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste; 4 In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot [zijn] schade, evenwel verandert hij niet; 5 Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.