Rensky.nl       Vers 1 Wat drift beheerst het woedend heidendom, En heeft het hart der volken ingenomen? De koningen verheffen zich alom, De vorsten zijn vermetel saâmgeko - men, Om God, den HEER, zelfs naar de kroon te steken, En tegen Zijn Gezalfde op te staan. Zij spreken saam: "Laat ons hun banden breken, En van hun juk en touwen ons ontslaan." Vers 2 Maar d' Opperheer, die Zijn geduchten stoel Op starren sticht, en grondvest op de wolken, Zal lachen met dat vruchteloos gewoel, En spotten met den waan der dwaze vol - ken, God zal Zijn wraak ontdekken voor hun ogen; Straks gloeit de lucht door 't vlammend bliksemlicht; 't Is God die spreekt; Hij dondert uit den hoge, En jaagt den schrik Zijn haat'ren in 't gezicht: Vers 3 "Durft gij bestaan te twisten met Mijn kracht? Zal nietig stof Mij 't hoog gezag ontwringen, Of weerstand biên aan Mijn geduchte macht? Ontziet Mijn toorn, verdoolde sterve - lingen. Gij zult vergeefs Mijn rijksbestel weerstreven! Mijn Koning is gezalfd door Mijn beleid; Hij, door Mijn hand op Sions troon verheven, Heerst op den berg van Mijne heiligheid." Vers 4 "En Ik, die Vorst, met zoveel macht bedeeld, Zal Gods besluit aan 't wereldrond doen horen. Hij sprak tot Mij: "'k Heb heden U geteeld; Gij zijt Mijn Zoon, Gij zijt Mijn eengebo - ren'; Zeg vrij Uw eis; Ik zal Uw macht verhogen, Opdat Uw naam alom ontzaglijk zij; Het heidendom ligg' voor Uw stoel gebogen, En 't eind der aard erkenn' Uw heerschappij."  Vers 5 "Uw ijz'ren staf, die al hun macht verplet, Maak' hen eerlang eerbiedig' onderzaten, En noodzaak' hen te buigen voor Uw wet, Of sla z' aan gruis, als pottenbakkersva - ten!" O vorsten, wilt de wet der wijsheid horen, Eer gij God zelv' en Zijn Gezalfde hoont; O rechters, tot den stoel der eer gekoren, Verdraagt Zijn tucht, die u Zijn liefde toont. Vers 6 Vreest 's HEEREN macht en dient Zijn Majesteit; Juicht, bevend op 't gezicht van Zijn vermogen, En kust den Zoon, van ouds u toegezeid, Eer u Zijn toorn verdelg' voor aller o - gen; U op uw' weg tot stof doe wederkeren, Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag, U, onverhoeds, zou door haar gloed verteren, Tot staving van Zijn langgehoond gezag.  Vers 7 Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer, In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen; Die Sions Vorst erkennen voor hun HEER; Welzalig zij, die vast op Hem betrou - wen 1 Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? 2 De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, [zeggende]: 3 Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen. 4 Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten. 5 Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken. 6 Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid. 7 Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. 8 Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde [tot] Uw bezitting. 9 Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. 10 Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde! 11 Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving. 12 Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij [op] den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.