Vers 1 O HEER, doe Gij mij recht; Ik wandel als Uw knecht, En vind mijn lust in Uw gebod. Ik blijf op U betrouwen; Op U, mijn rotssteen, bouwen: Ik zal niet wank'len, grote God.  Vers 2 Beproef vrij, van omhoog, Mijn hart, dat voor Uw oog, Alwetende, steeds open lag. Doorzoek mij; toets mijn gangen; Doorgrond al mijn verlangen; En stel mijn oogmerk in den dag.  Vers 3 Uw goedertierenheid, Die zich alom verspreidt, Is t' allen tijd' voor mijn gezicht. Ik houd, oprecht van handel, Daar 'k in Uw waarheid wandel, Mijn schreden naar Uw wet gericht.  Vers 4 Hij, die vol ijdelheid, Een spoorloos leven leidt, Wordt met mijn vriendschap niet vereerd; En huich'laars, die hun vlekken Schijnheiliglijk bedekken, Zijn van mijn omgang ver geweerd.  Vers 5 Mijn hart verfoeit en haat De werkers van het kwaad, Bij wie ik mijnen voet niet zet. Ik zit bij geen godlozen; 'k Ontwijk de plaats der bozen, Zo word ik niet door hen besmet.  Vers 6 Ik was, aan U verpand, In onschuld mijne hand. Mijn hart springt in mij op, o HEER, Wanneer ik, met Uw scharen, Verschijn voor Uw altaren, En U met offergaven eer.  Vers 7 Daar wordt Uw lof verbreid, O Oppermajesteit, Door mij, die U bemin en acht; Daar zal mijn stem U prijzen, Voor al de gunstbewijzen, Voor al de wond'ren Uwer macht.  Vers 8 Wat blijdschap smaakt mijn ziel, Wanneer ik voor U kniel In't huis, dat Gij U hebt gesticht! Hoe lief heb ik Uw woning, De tent, o Hemelkoning, Die G', U ter eer, hebt opgericht!  Vers 9 Wanneer G' Uw arm verheft, Den snoden zondaar treft, Wees Gij dan, HEER, mijn toeverlaat; Doe mij met hem niet sneven; O neen, behoed mijn leven, Als Gij den man des bloeds verslaat.  Vers 10 Doe mij niet mee vergaan Met hen, die U weerstaan, Wier hart steeds schand'lijk misdrijf kweekt; Die trouw en plicht verachten, En 't recht om goud verkrachten, Als d' onschuld om bescherming smeekt.  Vers 11 Maar ik, ik ben oprecht; Verlos dan Uwen knecht Van 't ongeval, dat hem genaakt, Wil mij in gunst gedenken, Mij Uw genade schenken; Zo wordt door U mijn heil volmaakt.  Vers 12 Nu stap ik rustig aan; 'k Betreed een effen baan; Mijn God verhoort nu mijn gebed. 'k Zal Hem, met blijde klanken, In Zijn vergaad'ring danken. Wanneer Zijn gunst mij heeft gered.  1 [Een] [psalm] van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen. 2 Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart. 3 Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid. 4 Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om. 5 Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet. 6 Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE! 7 Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen. 8 HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer. 9 Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds; 10 In welker handen schandelijk bedrijf is, en welker rechterhand vol geschenken is. 11 Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij [dan] en wees mij genadig. 12 Mijn voet staat op effen baan; ik zal den HEERE loven in de vergaderingen.