Vers 1 Geduchte God, hoor mijn gebeden; Strijd voor mijn recht, en maak mij vrij Van hen, die, vol arglistigheden, Gerechtigheid en trouw vertreden, Opdat mijn ziel Uw naam belij', En U geheiligd zij.  Vers 2 Mijn God, ik steun op Uw vermogen, Gij zijt de sterkte van mijn hart; Waarom verstoot Gij m' uit Uw ogen? Waarom ga ik terneergebogen, Door 's vijands wreed geweld benard, Gestaâg in 't aak'lig zwart?  Vers 3 Zend, HEER, Uw licht en waarheid neder, En breng mij, door dien glans geleid, Tot Uw gewijde tente weder; Dan klimt mijn bange ziel gereder Ten berge van Uw heiligheid, Daar mij Uw gunst verbeidt.  Vers 4 Dan ga ik op tot Gods altaren, Tot God, mijn God, de bron van vreugd; Dan zal ik, juichend, stem en snaren Ten roem van Zijne goedheid paren, Die, na kortstondig ongeneugt', Mij eindeloos verheugt.  Vers 5 Mijn ziel, hoe treurt ge dus verslagen? Wat zijt g' onrustig in uw lot? Berust in 's HEEREN welbehagen; Hij doet welhaast uw heilzon dagen; Uw hoop herleev', naar Zijn gebod; Mijn redder is mijn God.  1 Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts. 2 Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij [dan]? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking? 3 Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen; 4 En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God! 5 Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.