Rensky.nl
Vers 1
Neem, HEER, mijn bange klacht ter oren;
Zie, als 't aan woorden mij ontbreekt,
Wat d' overdenking in mij spreekt;
Verwaardig U, uit 's hemels koren,
Mijn stem te horen!
Vers 2
Sla ied're zucht, mijn hart ontgleden,
Opmerkend gâ; schenk mij 't genot
Uws heils, mijn Koning en mijn God;
Ik zal tot U, met mijn gebeden,
Eerbiedig treden.
Vers 3
Ik zal, door 't ijvervuur aan 't blaken,
O HEER, bij 't scheem'rend morgenlicht,
Mij stellen voor Uw aangezicht;
Oprechte boezemzuchten slaken,
En biddend waken.
Vers 4
Gij, die geducht zijt in vermogen,
Verdraagt de goddeloosheid niet;
Gij zult, o God, die 't al doorziet,
Den boze voor Uw heilig' ogen,
Geenszins gedogen.
Vers 5
Wie zinloos, zonder t' overwegen
Wat hem betaamt, tot U durft gaan,
Zal voor Uw aanschijn niet bestaan;
Gij haat, en staat hun billijk tegen,
Die onrecht plegen.
Vers 6
Gij, HEER, verdelgt den leugenspreker.
Hij, die zijn hand met bloed bevlekt,
En gruw'len met bedrog bedekt,
Tergt, als de snoodste wetverbreker,
Den hoogsten Wreker.
Vers 7
Maar mij ontmoet Uw mededogen;
Ik zal, Uw woning ingeleid,
En, naar 't paleis der heiligheid
In ware Godsvrees neergebogen,
Uw gunst verhogen.
Vers 8
Leid mij in Uw gerechtigheden,
Om mijn verspied'ren wil, en richt
Uw wegen voor mijn aangezicht;
Dan zal ik veilig voorwaarts treden,
Met vaste schreden.
Vers 9
Al 't recht is van hun mond geweken,
Zij leggen 't op verderven toe;
Hun keel is nooit verslindens moe,
Hun tong tracht, vleiend, ons door treken
Naar 't hart te steken.
Vers 10
Draagt Gij, o God, hen nog geduldig?
Verwoest hun raadslag; drijf hen heen,
Daar z' Uwe wet zo stout vertreên,
Zij tergen U te menigvuldig;
Verklaar hen schuldig.
Vers 11
Maar geef Uw dierb'ren gunstelingen,
Wier geest in U zijn sterkte vindt,
Wier hart Uw naam oprecht bemint,
In U volvrolijk op te springen,
En blij te zingen.
Vers 12
't Rechtvaardig volk zult Gij belonen,
Terwijl Gij, HEER, hen overdekt,
Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja, bij hen wonen.
1 Een psalm van David, voor den
opperzangmeester, op de Nechiloth. O HEERE,
neem mijn redenen ter ore; versta mijn
overdenking.
2 Merk op de stem mijns geroeps, o mijn
Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
3 Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem
horen; des morgens zal ik [mij] tot U schikken,
en wacht houden.
4 Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan
goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.
5 De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet
bestaan; Gij haat alle werkers der
ongerechtigheid.
6 Gij zult de leugensprekers verdoen; van den
man des bloeds en des bedrogs heeft de
HEERE een gruwel.
7 Maar ik zal door de grootheid Uwer
goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij
buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw
vreze.
8 HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om
mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn
aangezicht.
9 Want in hun mond is niets rechts, hun
binnenste is enkel verderving, hun keel is een
open graf, met hun tong vleien zij.
10 Verklaar hen schuldig, o God; laat hen
vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen
om de veelheid hunner overtredingen, want zij
zijn wederspannig tegen U.
11 Maar laat verblijd zijn allen, die op U
betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen,
omdat Gij hen overdekt; en laat in U van
vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben.
12 Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige
zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid
kronen, als met een rondas.