Vers 1 O God, verlos mij uit den nood, En red door Uwen naam mijn leven; Mijn rechtzaak zij aan U verbleven; Och, of Uw arm mij bijstand bood! O God, sla acht op mijn gebed, Neig tot mijn rede gunstig d' oren, En wil mijn bitt're klacht verhoren; Zo word' ik uit den angst gered.  Vers 2 Want vreemden steken 't hoofd omhoog Tot mijn verderf; ik zie tirannen, Om mij te doden, samenspannen; Zij stellen God zich niet voor 't oog. Zie, God, die nimmer mij vergeet, Is mij een helper in mijn lijden; Hij voert hen aan, die voor mij strijden, En ondersteunt mij in mijn leed.  Vers 3 Hij zal dit kwaad, dit boos bestaan, Aan mijn verspiederen vergelden. Roei uit, die tegen mij zich stelden; Het gaat Uw trouw en waarheid aan. lk zal U, met een blij gemoed Vrijwillig off'ren, HEER der heren; lk zal Uw naam met lofzang eren, Dit eist Uw naam, want hij is goed.  Vers 4 Want God wil mij Zijn bijstand biên. Hij heeft mij 't onheil doen ontkomen, En mijn benauwdheid weggenomen: lk heb mijns vijands val gezien. 1 Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth; Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons? O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht. 2 O God! hoor mijn gebed; neig de oren tot de redenen mijns monds. 3 Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela. 4 Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen. 5 Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid. 6 Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o HEERE! loven, want Hij is goed. 7 Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden.