Vers 1 O gij vergadering, gezeten Om recht te doen, spreekt gij het recht? Wordt alles billijk aangelegd; Kwijt ieder zich naar zijn geweten? En vonnist gij wel inderdaad, Zoals met recht en wet bestaat?  Vers 2 Neen; gij smeedt ongerechtigheden In't harte, dat van boosheid zwelt; Gij weegt op aard' uw snood geweld, In schijn van billijkheid en reden. God'lozen zijn van God vervreemd, Zo ras hun leven aanvang neemt.  Vers 3 De boze leugensprekers dolen, Van 't uur, dat zij geboren zijn; In hart en mond ligt heet venijn, Als in een vuur'ge slang, verscholen; Zij geven 't goede nooit gehoor, Maar stoppen, als een adder, 't oor.  Vers 4 Gelijk zich die niet laat bezweren, Zo willen dezen niet verstaan. Verbreek hun tanden, laat voortaan, O God, Uw arm hun kracht verneêren; Breek jonge leeuwen, heet op buit, O HEER, de wrede tanden uit.  Vers 5 Smelt hen tot water, laat ze drijven; En maak hun pijlen, waar zij boos Mee mikken, stomp en krachteloos; Laat toch Uw arm hun boog niet stijven, Doe hen, in armoê en gebrek, Vergaan, versmelten als een slek.  Vers 6 Och, laat hen in hun kwaad niet groeien, Maar doe hen als een misdracht zijn; Dat nooit de zon hun oog beschijn'. Eer dan uw potten zullen gloeien Van 't doornenvuur, stormt Hij gezwind Hen weg, als in een wervelwind.  Vers 7 't Rechtvaardig volk, gered uit lijden, Zal eens, wanneer 't de wraak aanschouwt, In God, Wien 't zich had toevertrouwd, En in Zijn waarheid zich verblijden; 't Zal zijne voeten, welgemoed, Zelfs wassen in der bozen bloed.  Vers 8 De mens zal eerlang vrolijk zeggen: "Gewis, de deugd geniet haar vrucht; Gods grootheid wordt terecht geducht, Die loon en straf weet toe te leggen. Gewis, daar is een God, die leeft En op deez' aarde vonnis geeft."    1 Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Al-tascheth. Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij, vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij, mensenkinderen? 2 Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde. 3 De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van [moeders] buik aan. 4 Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, [die] haar oren toestopt; 5 Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan. 6 O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE! 7 Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren. 8 Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, [als] ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen. 9 Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als [in] heten toorn wegstormen. 10 De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen. 11 En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt.