Rensky.nl       Vers 1 O HEER', Gij zijt welda - - dig; Straf mij niet ongenadig In Uwen toornegloed, Ai, matig Uw kastijden; Sla mij met medelijden, Gelijk een vader doet.  Vers 2 Vergeef mij al mijn zon - den, Die Uwe hoogheid schonden; Ik ben verzwakt, o HEER! Genees mij, red mijn leven; Gij ziet mijn beend'ren beven; Zo slaat Uw hand mij neer.  Vers 3 Mijn ziel, gans neergebo - gen, Schrikt voor Uw heilig' ogen, In dezen jammerstaat. Hoe lang zal ik nog klagen? Hoe lang Uw gramschap dragen, O HEER, mijn toeverlaat?  Vers 4 Keer eind'lijk, HEER, toch we - der; Mijn ziel buigt zich terneder, Ai, red haar van 't verderf; Sla mijn ellende gade, Tot roem van Uw genade, En help mij, eer ik sterf.  Vers 5 Want wie kan, na 't verschei - den, Op aarde meer verbreiden, Uw grootheid en Uw lof? Wie zal Uw gunstbewijzen, In 't zwijgend graf ooit prijzen? U zingen in het stof?  Vers 6 Uw strenge geselroe - de, Maakt mij van 't zuchten moede, Verteert geheel mijn kracht; Ik voel Uw slagen klemmen, En doe mijn bedde zwemmen In tranen, al den nacht.  Vers 7 Mijn oog is rood gekre - ten, Van tranen uitgebeten, Verouderd en doorknaagd; Daar ik, in mijn ellenden, Door al mijns vijands benden, Verdrukt word en gejaagd.  Vers 8 Mijn ziel grijp moed: wijkt bo - zen, Vlucht van mij weg, godd'lozen: De HEER heeft mijne klacht, Met toegenegen oren, Genadig willen horen, En al mijn smart verzacht.  Vers 9 De HEER' wild' op mijn ker - men, Zich over mij ontfermen; Hij heeft mijn stem verhoord, De HEER zal, op mijn smeken, Geen hulp mij doen ontbreken; Hij houdt getrouw Zijn woord.  Vers 10 Hij zal mijn haters we - ren, Hen straks terug doen keren, Beschaamd, en vol van schrik; Zijn grimmigheid, aan 't blaken, Zal hen te schande maken, Zelfs in een ogenblik. 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith. O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid! 2 Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt. 3 Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange? 4 Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil. 5 Want in den dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf? 6 Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen. 7 Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders. 8 Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord. 9 De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen. 10 Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.