Vers 1 Wil, o God, mijn bede horen; Neig Uw oren Naar mijn zuchten en geween. In veraf gelegen streken, Schier bezweken, Zoek ik heul bij U alleen.  Vers 2 Leid mij, HEER; ik zou in 't stijgen Nederzijgen; Leid mij op een hoge rots. Wil mij tot een toevlucht wezen, Als voor dezen, 's Vijands wreed geweld ten trots.  Vers 3 'k Zal in Uwe tent verkeren, HEER der heren, Voor Uw oog, in eeuwigheid; 'k Zal op U mijn vast vertrouwen Altoos bouwen, Door Uw vleug'len overspreid.  Vers 4 Want Uw goedheid, die wij loven, Heeft van boven Mijn geloft' en beê gehoord; Gij deedt mij tot d' erf'nis komen Van de vromen, Wien de vrees Uws naams bekoort.  Vers 5 Gij zult nieuwe dagen voegen, Vol genoegen, Bij des Konings levenstijd; Zijner jaren tal vermeêren, In 't regeren, Door Uw gunst van ramp bevrijd.  Vers 6 Hij zal eeuwig in vermogen, Voor Uw ogen, Zitten op zijn troon, o HEER! Zend Uw waarheid, Uw ontferming Ter bescherming; Zend ze tot zijn wachters neer.  Vers 7 'k Zal dan door mijn blijde galmen, Door mijn psalmen, Loven Uwe Majesteit; Mijn geloften U betalen, Menigmalen Plechtig aan U toegezeid. 1 [Een] [psalm] [van] David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed. 2 Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, [die] mij te hoog zou zijn. 3 Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand. 4 Ik zal in Uw hut verkeren [in] eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela. 5 Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt [mij] gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen. 6 Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht; 7 Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. 8 Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.