Vers 1 D' algoede God zij ons genadig, En zegen' ons met overvloed; Hij doe Zijn aangezicht gestadig Ons lichten, en Hij zij ons goed; Opdat elk genegen Zich aan Uwe wegen Op deez' aarde wenn'; En de blinde heiden, Nu van God gescheiden, Eens Uw heil erkenn'.  Vers 2 De volken zullen U belijden, O God, U loven al te zaâm. De landen zullen zich verblijden, En juichen over Uwen naam. Volken zult Gij rechten, Hunne zaak beslechten, In rechtmatigheid; Volken op deez' aarde, Die Uw arm vergaarde, Die Gij veilig leidt.  Vers 3 De volken zullen, HEER, U loven; O HEER, U loven altemaal, Die d' aarde vruchtbaar maakt van boven, Dat z' ons op haar gewas onthaal'. God is ons genegen; Onze God geeft zegen. Hij, die alles geeft, Hij zal zijn geprezen; Hem zal alles vrezen, Wat op aarde leeft. 1 Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela. 2 Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil. 3 De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven. 4 De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten [in] rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela. 5 De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven. 6 De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. 7 God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen.