Vers 1 Daal haastig ter verlossing neer, O God, en red mij uit gevaren, Uit angsten, die mijn ziel bezwaren; Spoed U te mijner hulp, o HEER! Laat allen, die mijn ziel belagen, Beschaamd en schaamrood van mij vliên; Laat, die met vreugd mijn rampen zien, In hunne wensen nimmer slagen.  Vers 2 Laat allen, die, met schamp'ren spot, Mij honen, tergen en onteren, Hun schimp ten loon, teruggekeren; Vergaan op Uw geducht gebod. Laat hen, die zich tot U begeven, Hen, die Uw heil beminnen, HEER, Gedurig juichen tot Uw eer, En zingen: "God zij hoog verheven!"  Vers 3 Ik ben nooddruftig, arm en naakt; O God, mijn Helper uit ellenden! Haast U tot mij; wil bijstand zenden; Uw komst is 't, die mijn heil volmaakt. 1 [Een] [psalm] [van] David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken. Haast U, o God, om mij te verlossen, o HEERE, tot mijn hulp. 2 Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. 3 Laat hen terugkeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha! 4 Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: God zij groot gemaakt! 5 Doch ik ben ellendig en nooddruftig; o God, haast U tot mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; HEERE, vertoef niet!