Vers 1 U alleen, U loven wij; Ja wij loven U, o HEER; Want Uw naam, zo rijk van eer, Is tot onze vreugd nabij; Dies vertelt men in ons land, Al de wond'ren Uwer hand.  Vers 2 Als ik 't ambt ontvangen zal, Wil ik, volgens eed en plicht, Altoos recht doen in 't gericht. Land en volk was in verval; Maar zijn pijlers steld' ik vast, Tegen woed' en overlast.  Vers 3 Tot het dom en dwaas geslacht Zeid' ik: "Wees niet zinneloos"; Tot de snoden; "Weest niet boos, Dat gij hoornen, sterk van kracht, Woedende naar boven steekt, En met stijven halze spreekt."  Vers 4 Geen geval, geen zorg, geen list, Oost, noch west, noch zandwoestijn, Doet ons meer of minder zijn: God is rechter, die 't beslist; Die, als aller Oppervoogd, Deez' vernedert, dien verhoogt.  Vers 5 Want des HEEREN hand besluit Enen kelk vol bitterheid, In Zijn gramschap toebereid, En Hij drenkt er 't mensdom uit; Doch der goddelozen mond Zuigt Zijn hef uit, tot den grond.  Vers 6 'k Zal dit melden, 'k zal altijd Zingen Jacobs God ter eer, Slaan der bozen hoornen neer, Vellen wat Zijn naam bestrijdt; Maar der vromen hoorn en macht Zal verhoogd zijn door Gods kracht.  1 Voor den opperzangmeester, Al- tascheth; een psalm, een lied, voor Asaf. Wij loven U, o God! wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen. 2 Als ik het bestemde [ambt] zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten. 3 Het land en al zijn inwoners waren versmolten; [maar] ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela. 4 Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet. 5 Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt [niet] met stijven hals. 6 Want het verhogen [komt] niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn; 7 Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen. 8 Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken. 9 En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen. 10 En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.