Rensky.nl
Vers 1
Ik zal met al mijn hart den HEER,
Blijmoedig geven lof en eer;
Mijn tong zal mijn gemoed verzellen,
En al Uw wonderen vertellen.
Vers 2
Ik zal in U, mijn God, van vreugd
Opspringen, in den geest verheugd;
Uw naam zal door mijn psalmgezangen,
O Allerhoogste, lof ontvangen.
Vers 3
Omdat mijn vijand, hoe geducht,
Teruggekeerd is en gevlucht;
Hij is, schoon stout te veld getogen,
Vergaan, gevallen voor Uw ogen.
Vers 4
Want, naar Uw allerheiligst recht,
Hebt Gij mijn twistgeding beslecht;
En, op Uw hogen troon gezeten,
Deedt Gij, o Rechter, 't vonnis weten.
Vers 5
Gij scholdt de heid'nen keer op keer;
En wierpt de goddelozen neer;
Hun naam, hun roem hebt Gij vertreden,
En uitgedelgd in eeuwigheden.
Vers 6
O vijand, hebt gij door uw macht
't Verwoesten voor altoos volbracht?
Hebt gij de steden gans bedorven?
Is haar gedachtenis verstorven?
Vers 7
Neen, dwaas, uw hoop zal ras vergaan,
Maar 's HEEREN troon zal eeuwig staan;
Dien wilde Hij onwrikbaar stichten,
Om naar het heilig recht te richten.
Vers 8
Hij zelf zal aan het wereldrond
Het recht doen horen uit Zijn mond;
De volken voor Zijn vierschaar stellen,
En daar 't rechtmatig vonnis vellen.
Vers 9
De HEER zal zijn een hoog vertrek
Voor wie getrapt wordt op den nek;
Een hoog vertrek in drukkend lijden;
Een toevlucht in benauwde tijden.
Vers 10
Hij, die Uw naam in waarheid kent,
Zal, HEER, op U in zijn ellend'
Vertrouwen, wijl Gij nooit liet zuchten
Hen, die gelovig tot U vluchten.
Vers 11
Zingt zingt den HEER, die eeuwig leeft,
Die Sion tot Zijn woning heeft;
En laat voor aller volken oren,
Met psalmgezang, Zijn daden horen.
Vers 12
Hij zoekt en Hij gedenkt het bloed,
Gestort in wreev'len euvelmoed;
Hij toont der armen nood te weten,
En zal hun kermen niet vergeten.
Vers 13
Bewijs, o HEER, Uw knecht genâ;
Sla mij in mijn ellende gâ.
Zie, hoe mijn haters mij verdrukken,
Gij, die mij wilt den dood ontrukken.
Vers 14
Opdat ik, HEER, U, blij te moê,
In Sions poorten hulde doe,
En in Uw heil, te allen tijde,
Met Sions dochter mij verblijde.
Vers 15
De heid'nen zijn, door waan misleid,
Gestort in kuilen, mij bereid;
Hun voet verwart zich in de netten,
Die z' in 't verborgen voor mij zetten.
Vers 16
Thans is de HEER bekend alom,
Door recht te doen bij 't heidendom;
De goddeloze raakt in banden,
Verstrikt in 't werk van zijne handen.
Vers 17
De stoute zondaars zullen snel
Teruggekeren naar de hel,
Met al de godvergeten benden
Der heid'nen, die Zijn wetten schenden.
Vers 18
Nooddruftigen vergeet God niet,
Noch laat hen eind'loos in 't verdriet;
't Ellendig volk mag op Hem wachten;
Hij zal hun hoop niet steeds verachten.
Vers 19
Sta op, o HEER, en laat den mens,
Zich niet versterken naar zijn wens;
Maar oordeel Gij, in 't wraakgerichte,
De heid'nen voor Uw aangezichte.
Vers 20
O HEER, jaag hun vervaardheid aan,
En doe den heidenen verstaan,
Dat zij, die Sions rampen wensen,
Geen goden zijn, maar broze mensen.
1 Een psalm van David, voor den
opperzangmeester, op Muth-labben. Ik zal
den HEERE loven met mijn ganse hart; ik
zal al Uw wonderen vertellen.
2 In U zal ik mij verblijden, en van vreugde
opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o
Allerhoogste!
3 Omdat mijn vijanden achterwaarts
gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw
aangezicht.
4 Want Gij hebt mijn recht en mijn
rechtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op
den troon, o Rechter, der gerechtigheid.
5 Gij hebt de heidenen gescholden, den
goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd,
tot in eeuwigheid en altoos.
6 O vijand! zijn de verwoestingen voleind in
eeuwigheid, en hebt gij de steden
uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is [met]
hen vergaan.
7 Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten;
Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
8 En Hij Zelf zal de wereld richten in
gerechtigheid, en de volken oordelen in
rechtmatigheden.
9 En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn
voor den verdrukte, een Hoog Vertrek in
tijden van benauwdheid.
10 En die Uw Naam kennen, zullen op U
vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt
verlaten degenen, die U zoeken.
11 Psalmzingt den HEERE, Die te Sion
woont; verkondigt onder de volken Zijn
daden.
12 Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij
gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der
ellendigen niet.
13 Wees mij genadig, HEERE, zie mijn
ellende aan, van mijn poorten des doods;
14 Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der
dochter van Sion vertelle, dat ik mij
verheuge in Uw heil.
15 De heidenen zijn gezonken in de groeve,
[die] zij gemaakt hadden; hunlieder voet is
gevangen in het net, dat zij verborgen
hadden.
16 De HEERE is bekend geworden; Hij heeft
recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in
het werk zijner handen! Higgajon, Sela.
17 De goddelozen zullen terugkeren, naar
de hel toe, alle godvergetende heidenen.
18 Want de nooddruftige zal niet voor altoos
vergeten worden, [noch] de verwachting der
ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.
19 Sta op, HEERE, laat de mens zich niet
versterken; laat de heidenen voor Uw
aangezicht geoordeeld worden.
20 O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de
heidenen weten, [dat] zij mensen zijn. Sela.